Romeins Geld  

 

Korte samenvatting van het geschiedenis van het geld

Toen Rome pas was gesticht in 753 voor Chr. hadden de toenmalige bewoners geen geld nodig, alles wat ze wilde hebben kwam van ruilhandel, dit gebeurde door het ruilen van graan, wijn en dieren maar ook met grote brokken ruw koper (aes rude) die met elke transactie moest worden gewogen. In ongeveer 280 v Chr. werd eindelijk een munteenheid ingevoerd die hoofdzakelijk uit zwaar koper bestond, in ongeveer 200 v Chr. werd pas het zilver, wat belangrijker werd dan koper, geïntroduceerd. Toen in de oorlog tegen Hannibal namen de Romeinen als noodmaatregel goud om hun munten te slaan maar dit gebeurde op kleine schaal. Pas in 80 v Chr. sloeg de machtige generaal Sulla als teken van macht en rijkdom de aurie., en in 50 v Chr. gaven Julius Caesar, Pompeius en Crassus zeer grote aantallen ook gouden munten uit als teken van hun macht en rijkdom.

 

Koper geld

In de keizertijd zijn verschillende soorten koperen munten geslagen, roodkoper en geelkoper (of messing) genaamd orichalcum dat bestond uit 80% koper en 20% zink men voegde er ook wel eens tin en lood toe. De legering werd hoofdzakelijk gebruikt voor de hogere waardes van het geld en de roodkoperen munten voor de lagere waarden. In de 3e eeuw werd het verschil tussen de zilveren en de koperen munten te vervallen, en in de 4e eeuw waren bijna uitsluitend koperen munten in omloop die waren voorzien van een heel dunne en snel afslijtbare laag zilver waren voorzien. En in de 5e eeuw verdwijnen door devaluatie en inflatie het verzilverde kopergeld en men gaat weer over tot ruilhandel. Veel steden (vooral in het oosten van het Romeinse rijk) hadden in de eerste 3 eeuwen na Chr. het recht om voor lokale behoefte koperen munten te slaan. En in de chaos kwam in 260 na Chr. een eind aan deze muntslag.

 

Zilver geld

In de 3e eeuw v Chr. werden er enkele series zilveren didrachmen geslagen, en vanaf 211 na Chr. kwamen ze met de denarius die tot het jaar 250 de belangrijkste munt van het ijk zou zijn. In 215 is door Caracalla de antoninianus die een slechter zilver gehalte heeft als de denarius slechts 45% echter vanaf het jaar 250 ongeveer devalueerde de antoninianus tot een koperen munt met een flinterdun laagje zilver gedegradeerd en uiteindelijk verdwijnen . Diocletianus bracht omstreeks 294 in het kader van de munthervorming een nieuwe zilveren munt in omloop, de argenteus die weer door Constantein werd vervangen door de siliqua. In de loop van de 4e eeuw werden er grote aantallen van deze munt geslagen, zodat omstreeks het jaar 450 totaal geen nieuwe zilveren munten bij kwamen.

 

Gouden geld

Tijdens de laatste punische oorlog werden door Rome als noodmaatregel gouden munten geslagen die echter ook na de oorlog weer in onbruik kwam. Pas in 80 v Chr. sloeg generaal Sulla als teken van macht en rijkdom een gouden munt genaamd de aurie., en in 50 v Chr. gaven Julius Caesar, Pompeius en Crassus zeer grote aantallen ook in navolging van Sulla, gouden munten uit als teken van hun macht en rijkdom. In de eerste 3 eeuwen van de keizertijd werden naast de denarii ook steeds meer gouden munten geslagen. Onder Constantein werd in 313 een nieuwe gouden munt ingevoerd, de solidus en werd uiteindelijk de belangrijkste munt in de 4e en 5e eeuw, en verdween rond het jaar 500 in dit deel van europa.

 

Gehalte en gewicht van de munten

In het zuiden van Italië en op Sicilië was al een muntstelsel die geënt was op die van de Grieken, toen de Romeinen in de 3e eeuw v Chr. een begin maakte met het uitvoeren van een eigen munt in koper en zilver werden deze munten als voorbeeld genomen. De eerste zilveren munten werden ook didrachmen genoemd en de link met de Grieken is behoorlijk aanwezig. De eerste didrachmen wogen ongeveer 7,5 gram en dit gewicht werd geleidelijk teruggebracht tot 6,5 gram. Vanaf 211 v Chr. kwamen de Romeinen met een eigen zilveren munt die 4,5 gram woog, de denarius en deze werd later gedevalueerd tot 4 gram, waar de gewichtstandaard uit die tijd uit Etrurië kwam. Het kopergeld dat vanaf 280 v Chr. werd uitgegeven zijn gebaseerd op de Romeinse pond van ongeveer 327 gram. Latere muntsoorten zoals de aureus, denarius, soldus en follis zijn steeds gebaseerd op deze Romeinse pond.

De zuiverheid van de munten zijn behoorlijk verschillend, de gouden munten waren uitzonderlijk zuiver met een gehalte van 95%, zelfs in moeilijke tijden bleven deze waarden gehandhaafd. Zilver is echter heel wat anders. Tijdens de Republiek was het zilvergehalte erg hoog 95% of zelfs hoger, een uitzondering was de vicoriatus die maar 80% zilver bevatte. Deze was echter alleen bedoeld voor export voor de handel met het zuiden van Italië. In de Keizertijd verlaagde Nero het gehalte tot 90%, Trajanus deed er nog een schepje boven op en verlaagde hem tot 80% maar de ellende was nog niet compleet voor het zilveren schijfje want het werd nog slechter, want ongeveer in het jaar 215 werd de gehalte voor de denarius zeer sterk gereduceerd tot een schamele 45% maar het werd nog erger want ongeveer in het jaar 250 bleef er maar 10% er van over, een schamele 4,5% voor de antoninianus (dubbele denarius) en omstreeks 270 zelfs naar 2% van het zilver bevatte. Maar bij de munthervorming onder leiding van Diocletianus werd een nieuwe zilveren munt ingevoerd met een goed percentage, de argenteus, deze circuleerde in het begin van de 4e eeuw naast de follis een koperen munt met een klein percentage aan zilver erin 2-4%.

 

Ontwikkeling van de Romeinse muntslag

Beginfase tot 211 v Chr.

Zoals in het beginstukje al duidelijk is gemaakt begonnen de Romeinen pas in de 3e eeuw voor Chr. met hun munten. Ze hadden toen weinig behoefte aan geld, voor hen was het betaalmiddel vee en ruw koper (aes rude) dat per transactie gewogen moest worden. De groei van de stad en de oorlog tegen Pyrrhus en Epirus (285-275 v. Chr.) waren de oorzaak dat de Romeinen geld gingen gebruiken. Vooral de aanschaf van oorlogsmaterieel uit het zuiden van Italië was geld gewoon een vereiste.

De eerste munten werden in zuid-Italië geslagen en men vermoed dat het in Metapontum gebeurde. De eerste munten Didrachmen genaamd waren een exacte kopie van de Griekse munten uit die tijd. De voorstellingen uit die tijd waren niet Romeins maar geënt op de zuid-Italische en Punische afbeeldingen, pas in de derde serie muntslagen kwam op de keerzijde een voorstelling van Romulus en Remus en de wolvin te staan, werd in 269 v. Chr. zelf in Rome geslagen.

Rond 280 v Chr. werden als betaalmiddel koperen baren gebruikt, zowel in centraal-Italië als in Rome zelf. Deze gestempelde baren werden aes signatum genoemd, echter het zijn nog steeds geen munten, daar het gewicht verschilde van baar tot baar. Gelijktijdig werden ook de eerste koperen munten in Rome uitgegeven, genaamd aes grave die groot en zwaar waren, hij woog ongeveer 327 gram. Maar door de stijging van de koperprijs en door geldontwaarding door verschillende oorlogen, zoals de Punische oorlogen daalde het gewicht en omvang met rasse schreden. Tegen het einde van de tweede Punische oorlog woog hij nog maar 35 gram, nog maar 10% van zijn oorspronkelijk gewicht. Maar het einde was nog niet in zicht, op een gegeven moment woog hij nog minder dan 27 gram, een absoluut dieptepunt.

De voorstellingen op deze munten waren oorspronkelijk Griekse voorbeelden, de Italische inbreng bestond kwam met de uitvoering van de Gos Janus op de voorzijde van de As. Op andere munten werden weer andere goden afgebeeld. In 225 v Chr. werd er een uniforme keerzijde geslagen en wel de scheepsboeg (rostra) deze zal tot vroeg in de 2e eeuw gehandhaafd blijven. Omstreeks 216 v Chr. werd in Rome kleine series gouden staters uitgegeven met het gewicht van 6,75 gram. De reden was de invasie door Hannibal.

De muntslag werd verzorgd door lagere ambtenaren die voor 1 jaar werden benoemd, ze werden tresveri monetales genoemd.

 

Periode 211 - 31 v Chr.

De oorlog tegen Hannibal vergde het uiterste van het monitair systeem van de Romeinen. De vele legioenen kosten behoorlijke bedragen aan soldij en door de plunderingen van Hannibal liepen ook de inkomsten uit belastingen terug. Hierdoor kwam ook de kwaliteit van de munten onder vuur te liggen en de laatste series didrachmen zijn van zeer slechte kwaliteit. Toen rond 211 v. Chr. de Romeinse overwinning nabij was, werd er een nieuw geldstelsel ingevoerd, met Gouden, Zilveren en Koperen munten, gebaseerd op de denarius. Na de val van Syracuse werden er zoveel materiaal meegenomen dat men voldoende had om munten van een goede kwaliteit ter slaan. De denarius van in het begin 4,5 gram en later 4 gram zou ruim 450 jaar de zilveren muntstuk uit de Romeinse geschiedenis zijn. van in het jaar 240 werd de denarius verdrongen door de antoninianus. En met de invoering van de denarius kwam er een eins aan de Griekse invloed in het muntstelsel. De waarde werd eerst vastgesteld op 10 koperen assen (X) en later naar 16 assen (XVI of *), na verloop van tijd verdwijnt deze aanduiding van de munt.

Vanaf 211 v. Chr. zijn er in veel plaatsen in en buiten Rome op grote schaal denariivan het type Roma-Dioscuren geslagen, de productie nam af omstreeks 160 v. Chr. en er werd op een gegeven moment geen denarii meer geslagen.  Naast de denarius werden ook nog enkele gouden munten uitgegeven ter waarde van 20, 40 en 60 assen, en vanaf 211 v. Chr. kwam ook de vicoriatus in omloop een zilveren munt met het gewicht van driekwart van een denarius. Hij werd in een korte tijd veel geslagen, en hadden de waarde van 1 drachme, en waren uitsluitend voor Sicilië en het zuiden van Italië bestemd. en omstreeks 170 v. Chr. verdween ook deze munt. De weinige die nog in omloop waren werden al snel gedevalueerd tot 1 quinarii. 

Door de inflatie in de 2e en 1e eeuw v Chr. verdwijnt al het kopergeld op de Semis en de AS na. Het kopergeld is niet meer de basis voor het geld maar het is overgenomen door de zilveren denarius.

 

Keizertijd 1e - 3e eeuw

Een grondige revisie van het geldstelsel vind plaats na de slag bij Actium door Keizer Augustus met als doel het gelijkmaken in heel het Romeinse rijk. Nadat door enkele generaals Gouden munten werden geslagen heeft Augustus de aureus als grootste demonstratie opgenomen in de muntenreeks. Tegelijkertijd verving hij de zilveren sestersius door een gelijknamige grote munt van Geelkoper, die ook 4 assen waard was.  Tijdens de regeerperiode van Augustus zijn alle munten op grote schaal geslagen. In de plaatsen door heel het rijk werden munten geslagen 

Gebied

Gallië
G
allië 
S
panje
S
panje
Spanje
Klein Azië
Klein Azië
Egypte

Plaats

Lugdunum (Lyon)
N
emausus (Nîmes)
C
olonia Partricia (Cordova)
E
merita (Mérida)
C
aesaraugusta (Zaragoza)
E
phesus
P
ergamum
A
lexandrië

 

 

Ook werden in vele kleine, grote Klein Aziatische en Syrische steden lokaal kopergeld geslagen, in naam van de Keizer. Het gold hier ook voor Spaanse steden. Het door Augustus ingevoerde stelsel bleef 250 jaar zonder ingrijpende veranderingen actief. Pas onder Caracalla zal omstreeks 215 de antoninianus de nieuwe dominantie zijn en na 250 raakt het Augusteìsche muntstelsel in onbruik. Het recht om te munten van gouden en zilveren munten berustte vanouds bij de veldheer om in bepaalde oorlogsomstandigheden zelf productie draaide om het soldij te kunnen uitbetalen. Daarnaast werd alleen in Rome geld geslagen, waar de senaat een grote invloed op uitoefende.  Augustus heeft als priceps hiervan gebruik gemaakt om door heel het rijk zilveren en gouden munten te slaan. Onder Caligula werd Lugdunum gesloten en werd de vervaardiging weer in Rome geconcentreerd. Maar Nero heropende Lugdunum weer en ook de Flavische Keizers lieten daar hun munten slaan. En dit bleef zo tot het eind van het romense rijk.

Tabellen

Tabel I

Naam munt

Aantal assen

Aantal unciae

Waarde aanduiding

DECUSSIS
QUINCUSSIS
QUADRUSSIS
TRIPONDUIS
DUPONDIUS
AS
SEMIS
TRIENS
QUADRANS
SEXTANS
UNICIA
SEMI-UNICIA

10
5
4
3
2
1
1/2
1/3
1/4
1/6
1/12
1/24


120
60
48
36
24
12
6
4
3
2
1 unicia
1/2 UNICIA

X
V
IV
III
II
I
S




Σ

 

                 

Tabel IIa

Waarde aanduiding voor 140 v Chr.

 

Tabel IIb

Waarde aanduiding na 140 v Chr.

Naam munt

Aantal Assen

Waarde aanduiding

 

Naam munt

Aantal Assen

Waarde aanduiding

DENARIUS
QUINARIUS
SESTERTIUS

10
5
2,5

X
V
IIS

 

DENARIUS
QUINARIUS
SESTERTIUS

16
8
4

X
V
IIS

 

Ten tijde van Augustus werd er een uitvoerige muntenreeks ingevoerd die tot de 3e eeuw vrijwel ongewijzigd bleef. Het gewicht is gebaseerd op de Romeinse pond van 327 gram.

Tabel III  

 

Naam munt

Waarde

Materiaal

Rom. gewicht

Gewicht in gram

 

AUREUS
QUINARIUS
DENARIUS
QUINARIUS
SESTERSIUS
DUPONDIUS
AS
SEMIS
QUADRANS

25 denarii
12,5 denarii
16 assen
8 assen
4 assen
2assen
1 as
0,5 as
0,25 as

Goud
Goud
Zilver
Zilver
Geelkoper
Geelkoper
Roodkoper
Roodkoper
Roodkoper

1/42

1/84

1 unica
0,5 unica
0,4 unica

7,80

3,90

27
13,65
10,92

 

Tabel IV

Kruistabel waarde verschillende munten

Muntnaam

A

B

C

D

E

F

G

H

I

 

A
B
C
D
E
F
G
H
I

AUREUS
QUINARIUS
DENARIUS
QUINARIUS
SESTERSIUS
DUPONDIUS
AS
SEMIS
QUADRANS

1
-
-
-
-
-
-
-
-

2
1
-
-
-
-
-
-
-

25
12,5
1
-
-
-
-
-
-

50
25
2
1
-
-
-
-
-

100
50
4
2
1
-
-
-
-

200
100
8
4
2
1
-
-
-

400
200
16
8
4
2
1
-
-

800
400
32
16
8
4
2
1
-

1600
800
64
32
16
8
4
2
1

 
   

© MMIII CORBVLO